Pinksterkamp 2005 Zutendaal: Bij Toutatis !

 

Verslag doen over een Voorpost-pinksterkamp zonder in clichés te vervallen ? Ga er maar aan zitten !

 Ieder jaar opnieuw is zo’n pinksterkamp fantastisch, ieder jaar opnieuw ga je tegen je zin weer naar huis, ieder jaar opnieuw is het afscheid zwaar… Maar gelukkig komt er ieder jaar opnieuw … een nieuw pinksterkamp.

 Ook dit jaar dus. Dit keer in Vlaams Limburg (we zien er alvast naar uit het kamp ook weer een keertje te laten doorgaan in Nederland), nabij Zutendaal. En waar ligt Zutendaal ? Op een paar kilometer rijden van Tongeren. En waarvoor staat Tongeren wijd en zijd bekend ? Voor zijn oorsprongsgeschiedenis natuurlijk !

Tongeren, Atuatuca Tungrorum, zoals het ooit heette, was in de Romeinse tijd immers de administratieve hoofdplaats van het volksdistrict der Tungri. Deze Tungri vormden ten tijde van keizer Augustus (27 V.C. – 14 N.C.) een bestuurlijke federatie van enkele autochtone volksstammen die in de decennia daarvoor in opstand waren gekomen tegen de Romeinse invasietroepen onder leiding van Julius Caesar.

 Alleen al omdat dat invasieverhaal zich tegenwoordig herhaalt, met Frans- of anderstaligen, in Vlaanderen en Nederland, voelen we ons zo’n beetje verwant met die Tungri. Het thema voor het pinksterkamp lag dan ook voor de hand: Galliërs en Romeinen.

 Maar goed, op vrijdagavond viel van die tweedeling, Galliërs en Romeinen, nog niet veel te merken. De deelnemers kwamen in kleinere en grotere cohorten en stamverbanden aan op de kampplaats en kregen meteen de hele avond vrij om bij te praten met oude bekenden (van hier en aan de overkant) of kennis te maken met nieuwelingen. Van die laatste waren er trouwens nogal wat, vooral uit Nederland. Wat ons doet vermoeden dat er ook voor Nederland hoop is in bange dagen.

 Na een copieus ontbijt, zoals we er trouwens ook op zondagmorgen (met spek en eieren) en maandagmorgen een te verwerken kregen, kregen we meteen senator Jurgen Ceder op ons brood. Hij wist niet alleen te vertellen hoe blij hij wel was met het feit dat hij voor ons zo vroeg had mogen opstaan, of dat hij last had van metaalmoeheid (of was het gewoon een of andere vloek), maar ook dat de Kelten de broek hadden uitgevonden, verre van barbaars waren, en er toch gedurende een zekere tijd in geslaagd waren de Romeinen de duvel aan te doen.

 Jurgen is een begenadigd spreker. We slikten zijn lessen over de Galliërs en de Romeinen dan ook voor zoete koek (ja, we zijn wat aangekomen …).

 Maar voorzichtig als we zijn, lieten we – na een nieuwe Gallische schranspartij – natuurlijk niet na zijn wijze woorden op hun waarheidsgehalte te gaan controleren in Tongeren. Daar hadden we immers een bezoek aan het Gallo-Romeins museum (of zoals de Westlander zei: “Hallo Romeins museum”) gepland.

 En Jurgen Ceder bleek gelijk te hebben. Die Romeinen hebben zich een paar keer laten inpakken door de Galliërs (Eburonen, Nerviërs, Atrebaten, Atuatici, en consorten). Maar de Galliërs en Romeinen, en de mengcultuur van beiden, de Gallo-Romeinen, hebben ook nogal wat achtergelaten. We werden dan ook rondgeleid langs artefacten gaande van handwerktuigen, over bijzonder mooie juwelen tot restanten van mozaïekvloeren met nogal … aheum … eigenaardige patronen.

 Diegenen die van dat antieke stof wat al te veel dorst hadden gekregen, konden vervolgens in de schaduw van het standbeeld van Ambiorix gaan uitrusten op een terrasje. De resterende dapperen – blijkt dat er weinig bestand zijn tegen zo’n rondleiding – gingen onder leiding van onze Limburgse gids W.W. nog op zoek naar de restanten van de Tongerse vesten en probeerden onderweg nog enige antieke werptuigen in stelling te brengen. Niks is helaas meer wat het was en er waren ook geen Romeinen in de buurt. Van vechten kwam dus niks in huis.

 Omdat we bij Voorpost nooit genoeg krijgen van intellectuele inspanningen, werd er ’s avonds na weer een maaltijd (steak met pepersaus, als we het ons goed herinneren) … een quiz georganiseerd. Ook de meer praktisch ingestelden onder ons kregen daarbij gelukkig de kans hun ding te doen. Het werd een spannende strijd, vooral op het intellectuele vlak – want wij Voorposters zijn, zo leiden we af uit de resultaten van de quiz, nog slimmer dan we handig zijn. De winnaars konden naar huis gaan met … de overwinning. Niemand had aan een lauwerkrans gedacht.

 ’s Zondagsvoormiddag werden we, na enige vertraging veroorzaakt door een afwasploeg die het bijzonder plezierig vond handdoeken nat te maken, een ketelorkest te beginnen en een aantal onopgehelderde misdrijven rond het klaarmaken van spek te plegen, prettig onderhouden door Luc Vermeulen. Wie immers Voorpost zegt, zegt ook Luc Vermeulen. Luc ging niet alleen dieper in op de geschiedenis van Voorpost, maar schetste ook een beeld van de toekomst van Voorpost, van de gevaren en van de troeven. Hij deed dat zodanig goed dat de vragenronde maar traag op gang kwam. Gelukkig waren er een aantal mensen die medelijden hadden met Luc en toch een paar vragen afvuurden … (grapje, Luc, ik zal het nooit meer doen).

 En op zondagnamiddag, na – wat dacht je – alweer een heerlijk maal (waarvoor dank aan onze fantastische kookploeg), kwam het jaarlijkse hoogtepunt van het pinksterkamp: het SPEL !

 Een spel met als thema Galliërs en Romeinen natuurlijk. En hoewel er nogal wat Galliërs bij waren, waren er ook … Romeinen. De goden moeten van elk hun getal hebben, naar het schijnt. Maakte ook niet uit. Galliërs en Romeinen werden immers in gemengde ploegen opgedeeld en mochten samen de strijd aan gaan met de raadsels van Caesar Hansius Van Bossius, de kapotte katapult van Lucius Van Molinus, de geblinddoekte terreur van Wimmix Winterianix, de ringen van Johannus Slembricianus (waarbij de zwaartekracht voor sommigen onder ons de felste tegenstander was), de tentstokken (oeps, speren) van Sandix Nelo, en het boogschieten op het grootste doel ooit (alleen te vergelijken met een mammoet) van Davidus Van Damianus. En alsof dat allemaal nog niet genoeg van onze krachten gevergd had – u had de evenwichtsoefeningen van bepaalde strijdkrachten moeten zien toen ze het opnamen tegen de spankracht van de boog of tegen het piepende kieken van Obelix – werd iedereen nog eens ofwel de ring in gestuurd voor een partijtje (Grieks-Romeins ?) worstelen of de balk op gejaagd voor een kussengevecht.

 Iedereen kwam er vanaf zonder ernstige schade (wat niet kan gezegd worden van Mario, die we een avond naar eerder naar huis lieten vertrekken wegens een door voetbal veroorzaakte spierscheuring – van harte beterschap gewenst, Mario). En de winnaars ? Die kregen lekker weer niks.

 Van een kampvuur kwam helaas niets in huis. Het weer was er niet naar. Maar de cantus mocht er zijn. Ook het niet officiële gedeelte ervan. Zelden werd het repertoire van dat soort gelegenheden zo ver opengetrokken. Zelfs een hulde aan André Hazes en een weemoedige herinnering aan de Fabeltjeskrant kon er van af. De volhouders gingen door tot rond (wie weet het nog?) …

 Maar zoals aan alle dingen komt er, zoals we in het begin van dit verslagje al zeiden, een eind. En dat eind komt altijd op maandagmorgen en altijd te vroeg. Het gaat vergezeld van de laatste klaroenstoten van Luc Vermeulen (die we al jaren voorzichtig aanmanen ook door het jaar eens wat meer te oefenen), van een dankwoord van voorzitter en actieleider aan de deelnemers en van een welgemeend applaus van de deelnemers voor de organisatoren.

 Het kamp wordt gepoetst en ontruimd. De rust keert terug in Limburg. De Voorposters keren terug naar huis. Met hernieuwde energie, met versterkte en nieuwe vriendschapsbanden en met de hoop elkaar spoedig weer te zien op een actie, een betoging of een andere activiteit ergens in de Nederlanden.

 En met ergens op de achtergrond de twee laatste lijntjes van een lied dat we op het pinksterkamp leerden:

 “We zullen belgië belgië belgië trouw verraden,
Haat in ’t leven. Haat in ’t graf.”

 

Tot spoedig, kameraden,

Op Vlaamse en Nederlandse barricaden !

 

.

De openingsformatie op zaterdag